s  M  L
 

      Nieuwsbrief januari 2012       Nieuwsbrief januari 2011       Nieuwsbrief oktober 2009       Nieuwsbrief mei 2009       Nieuwsbrief november 2008       Nieuwsbrief mei 2008

Nieuwsbrief april 2016

Bijniercentra

Op dit moment zijn er negen actieve bijniercentra. Hiervan zijn er drie betrokken bij basaal fundamenteel onderzoek, onderzoek in een laboratorium, naar bijnierschorscarcinoom. Dit zijn het Erasmus Medisch Centrum, Leiden Universitair Medisch Centrum en Vrije Universiteit Medisch Centrum. Deze drie centra kunnen alleen onderzoek doen mits we ons met het netwerk samen sterk maken dat patiënten en dus ook patiëntmateriaal wordt verkregen. Dit betekend voor de patiënt dat hij/zij door zijn behandelend arts kan worden benaderd voor deelname aan wetenschappelijk onderzoek. Bijvoorbeeld voor deelname aan een database door het anoniem opslaan van uw medische gegevens voor onderzoeksdoeleinden of voor het goedkeuren van onderzoek met uw restmateriaal. Vaak blijft er na de behandeling een deel van uw materiaal over. Het gaat dan om bloed, urine of weefsel, dat voor uw onderzoek of behandeling niet direct meer nodig is. Dit noemen we restmateriaal en kan zeer waardevol zijn voor wetenschappelijk onderzoek.

Grote ziekenhuizen moeten worden gestimuleerd om te informeren of een patiënt wellicht zou willen deelnemen aan wetenschappelijk onderzoek, de patiënt moet hiervoor schriftelijk toestemming geven.

Geanonimiseerde gegevens van patiënten kunnen dan bijvoorbeeld worden ingevoerd in de database van het Europese BijnierNetwerk. Dit netwerk heet ENS@T, wat staat voor EUROPEAN NETWORK FOR THE STUDY OF ADRENAL TUMOURS http://www.ensat.org/ – Europees Netwerk voor onderzoek naar bijniertumoren. Leden van het Bijnier Netwerk Nederland zijn ook vaak lid van het Europees Netwerk. Juist omdat bijniertumoren zeldzaam zijn, is het belangrijk om met onze Europese collega’s samen te werken.

ENS@T geeft ook jaarlijks een groot internationaal congres. Dit zal plaatsvinden 25-26 november 2016 in Birmingham Engeland. Leden van het Bijnier Netwerk Nederland zullen worden aangemoedigd deze bijeenkomst bij te wonen.

Zorgprotocol

In sommige ziekenhuizen van het Bijnier Netwerk Nederland is er voor de patiënten met een bijniertumor een zogenaamd ‘zorgprotocol’. Een protocol waarin stapsgewijs staat welke stappen moeten worden doorlopen in de analyse en behandeling van de patiënt. De doelstelling van het Bijnier Netwerk Nederland is om deze protocollen te uniformeren en te verspreiden onder de leden van het netwerk.

ESES

Naast het Europese netwerk (ENS@T) is er ook een Europees collectief van chirurgen. Deze heet ESES – EUROPEAN SOCIETY OF ENDOCRINE SURGEONS Europese gemeenschap van endocriene chirurgen http://www.eses.cc/. Experts op het gebied van endocriene chirurgie hebben samen een richtlijn gemaakt hoe het best kan worden omgegaan met de operatie van een bijnierschorscarcinoom. Deze richtlijn wordt hopelijk dit jaar nog gepubliceerd. Onderdeel van deze richtlijn zal worden om naast de tumor ook een lokale lymfeklier te verwijderen en te analyseren op eventuele aanwezigheid van het bijnierschorscarcinoom.     

Tijdens de vergadering is er nog veel gediscussieerd over eventueel onderzoek naar bijnierschorscarcinoom en dan met name de behandeling. Zodra hier meer informatie over beschikbaar is zal u dit terugvinden op deze website.

Nieuwsbrief januari 2012

Bijniernetwerk-meeting 27 januari 2012

Aanwezig: Bisschop, Feelders, De Herder, Vriens, Kerstens, Nieveen van Dijkum, Eekhoff, Bonjer, Timmers, Valk, Hermus, Lemmers, Haak, Kerkhofs

Klinische presentaties:

 1) Survival benefit after specialized surgery for adrenocortical carcinoma in The Netherlands: analysis of national cancer registry data

Uit resultaten van een studie uitgevoerd in samenwerking met het IK-NL en IKZ (publicatie nog in voorbereiding), blijkt dat chirurgische behandeling van patiënten met een potentieel curabel bijnierschorscarcinoom (stadium 1-3) een overlevingsvoordeel biedt wanneer deze wordt uitgevoerd in een ziekenhuis aangesloten bij het bijniernetwerk vergeleken met een ziekenhuis daarbuiten. Voorts wordt er een overlevingsvoordeel gezien bij patiënten met stadium 4 ziekte die een operatie ondergaan vergeleken met patiënten die niet worden geopereerd. Deze resultaten vormen een sterk argument pro centralisatie van deze patiëntenzorg.

Uit de discussie na afloop van de presentatie komen enkele punten naar voren:

-    De studie zou significant in waarde toenemen als de PA zou worden gereviseerd door een referentie-patholoog (eventueel steekproef).

-    Een mogelijke bron van selectiebias is dat er in de DAN-centra vaker/eerder pre-operatief een verdenking op een carcinoom bestaat, waardoor er ‘anders’ wordt geopereerd. Ook als dit zo is, blijft de boodschap van de presentatie in stand.

2) Posterieure retroperitoneale scopische adrenalectomie

Menno Vriens heeft in zijn presentatie de posterieure benadering voor een scopische adrenalectomie laten zien. Deze benadering kan zorgen voor minder ‘collateral damage’, omdat het een directere toegangsweg naar de bijnierloge is vergeleken met de meer gebruikte anterieure (transabdominale) benadering. Op deze minimaal invasieve manier kunnen tumoren tot 8cm worden verwijderd. De gemiddelde operatie- en opnameduur zijn vergelijkbaar met de andere benaderingen. Het opereren van deze patiënten in buikligging heeft niet geleid tot complicaties. Er werd benadrukt dat het succes van welke benadering dan ook staat of valt met de ervaring en de voorkeur van de operateur. Het is dan ook de vraag in hoeverre het zinvol zou zijn om de voor- of nadelen van deze techniek prospectief te vergelijken met andere technieken, omdat ze beide bewezen veilig zijn in ervaren handen. Zie voor meer informatie Schreinemakers JM et al. Retroperitoneal endoscopic adrenalectomy is safe and effective. Br J Surg 2010 Nov;97(11):1667-72.

Organisatie en wetenschap:

Na de pauze werd er gesproken over de huidige organisatie van het Bijniernetwerk en de ENSAT. Verschillende opties om de organisatie te verbeteren en verdergaande samenwerking op nationaal en europees niveau te bereiken, werden besproken. Momenteel is dataverzameling en -gebruik in het netwerk niet formeel geregeld, maar gebaseerd op onderling vertrouwen en samenwerking. Dit brengt het risico van verkeerd gebruik met zich mee. Bovendien zijn er andere ontwikkelingen van invloed op de toekomst van het Netwerk, namelijk de oprichting van de parel endocriene tumoren en de goede ontwikkeling van de Europese vereniging, de ENS@T.

Dr. Valk heeft de structuur en organisatie binnen het parelsnoer en de oprichting van de parel endocriene tumoren nader toegelicht. Onder periodiek voorzitterschap van een geïnteresseerde clinicus uit een van de aangesloten UMC’s zal er binnen een subparel (bijv. bijniertumoren of hypofysetumoren) gecentraliseerd data worden verzameld van patiënten. Er wordt kort gerefereerd aan de opt-out mogelijkheid, die ter sprake kwam bij een eerste verkenning over gestructureerde nationale dataverzameling. Een opt-out systeem heeft nadrukkelijk niet de voorkeur, omdat dan het nut van nationale registratie en de kracht van de database verloren gaan. De doelstellingen van de parel en van het Bijniernetwerk komen overeen, maar uit de discussie komt nu nog geen concreet voorstel voor een nieuwe constructie. In februari, tijdens de bijeenkomst van de NVE, zal er nader worden gesproken over de vormgeving van de parel endocriene tumoren. Zodra deze organisatie vastere vormen gaat innemen en er meer duidelijkheid komt over invulling van de posities, kan er nagedacht worden over integratie van Bijniernetwerk en Parelsnoer.

Er is ook gesproken over de rol die een Nederlandse organisatie als geheel zou kunnen spelen binnen de ENSAT. Dit ligt gecompliceerd, omdat er conflicterende belangen zouden kunnen gaan spelen. Ook hiervoor geldt dat er duidelijke afspraken gemaakt moeten worden, maar dat dit pas kan als er nationaal meer duidelijkheid is.

De organisatie van het Bijniernetwerk zou verder kunnen worden geformaliseerd. Een optie is een wisselend bestuur danwel wetenschappelijke raad. Financiering middels sponsoring en accreditatie voor te organiseren symposia, zouden van het netwerk een grotere speler kunnen maken.

Nieuwsbrief januari 2011

Bijniernetwerk-meeting

Vrijdag 21-01-2011, Utrecht

Presentaties

1.  Mitotane: praktische toepassing (door H. Haak)

Uit ervaring blijkt dat er tussen de verschillende ziekenhuizen en centra veel verschillen zijn in toepassing en toediening van mitotane. Toepassingen voor mitotane bij bijnierschorscarcinoom zijn:

  • Adjuvant, indien de Ki67 index >10% bedraagt
  • Monotherapie: bij locally advanced of gemetastaseerd ACC
  • Bij progressie onder mitotane monotherapie: in combinatie met chemotherapie (FIRM-ACT trial) 

Aangeraden wordt mitotane op te starten volgens het hoge dosis schema (in 3 dagen opbouwen tot 6 mg/d) en vervolgens te doseren op geleide van de plasma spiegels. Hierbij dient een spiegel > 14m/L nagestreefd te worden. Een voldoende dosering van hydrocortison dient toegevoegd te worden (tot tweemaal een normale substitutiedosis is geen uitzondering). Mogelijke bijwerkingen bij mitotane toediening zijn gastro-intestinaal van aard, neuropsychiatrisch en hepatotoxisch. Ervaring toont echter dat deze bijwerkingen zeer zelden hoeven te leiden tot stoppen van mitotane behandeling. 

 

2.  Interactie met mitotane (door H. Gelderblom)

Momenteel is er nog weinig bekend over het metabolisme van mitotane. Uit onderzoek van het LUMC blijkt dat mitotane een sterke inductor is van CYP3A4. Dit gegeven biedt verdere mogelijkheden voor  toekomstig onderzoek naar relevante geneesmiddeleninteracties met mitotane. Het heeft daarnaast mogelijk gevolgen voor de dosering van andere geneesmiddelen naast mitotane in de behandeling van bijnierschorscarcinoom.

3.  Ketoconazol/fluconazol steroïdogenese in vitro (door R. vd Pas)

In het Erasmus MC is onderzoek gedaan naar de invloed van ketoconazol en fluconazol op de remming van corticosteroïdsecretie. Geconcludeerd wordt dat cortisol in bijnierschors-cellijnen wordt geremd door fluconazol (in farmacologische concentraties).  Daarnaast is fluconazol een upregluator van StAR mRNA expressie. Mogelijk kan fluconazol in de toekomst ketoconazol vervangen in de behandeling van hypercortisolisme.

4.  AIUVO-trial (door H. Haak)

Dit is een prospectieve, multicentrische, randomized controlled fase III trial (in navolging op het onderzoek van Terzolo). Doel is effectiviteit m.b.t. survival van adjuvante mitotane (hoge dosis opstartschema) bij bijnierschorscarcinoom vergelijken met enkel follow-up elke 3 maanden. Het is een 3 jaar durende trial met een follow-up van 2 jaar. Mogelijk te includeren patiënten zijn patiënten met een bijnierschorscarcinoom en een laag risico op een recidief (Ki67 index < 10%). Deze dienen binnen 3 maanden na operatie gerandomiseerd te worden. In totaal moeten er 200 patiënten worden geïncludeerd (100 per treatment arm). De chirurgen en pathologen hebben een belangrijke rol in de werving van deze patiënten. Momenteel is MMC al open voor inclusie. Centra die zullen volgen zijn: Groningen, Rotterdam en VU.

5.  Chirurgie: resultaten en implicaties (door T. Kerkhofs)

Uit retrospectief onderzoek met 175 patiënten blijkt dat ondanks R0 resectie er veel recidieven gezien worden bij patiënten met een stadium I t/m III bijnierschorscarcinoom. Tevens blijkt dat de overleving significant beter is indien de chirurgische behandeling plaats vindt in een bijniernetwerk centrum. Momenteel worden er nog veel patiënten in perifere ziekenhuizen geopereerd met als gevolg het missen van veel stadium 1 en 2 patiënten in de database. Deze groep zou veel kunnen profiteren van adequate en optimale zorg geleverd in de verschillende bijniernetwerk centra. Implicatie hiervan is het stimuleren van centralisatie van de zorg, inclusief chirurgie.

Tevens werden de richtlijnen ‘Bijnierincidentaloom’ en “Verdenking primair bijnierschorscarcinoom’ gepresenteerd die ingevoerd zullen worden in regio Zuid-Nederland.

Recent is er door de Nederlandse Vereniging Heelkunde voorwaarde gesteld dat per chirurg jaarlijks minimaal 10 bijnieroperaties uitvoeren moeten worden om de ingreep nog te mogen doen.

6.  Organisatie en registratie ENS@T/Parelsnoer (door H. Haak)

Op Europees niveau bestaat er de ENS@T (European Network for the Study of Adrenal Tumors).

Parelsnoer is een samenwerkingsverband van de academische centra in Nederland voor het verzamelen van klinische data en weefsel.

Doel is de zorg verbeteren door multidisciplinaire benadering ‘the complete package’ voor de behandeling van bijnierschorscarcinoom te bieden en patiënten tijdig verwijzen naar de bijniernetwerk centra om centralisatie te bevorderen. Daarnaast wordt biedt het Parelsnoer een fundament voor een wetenschappelijk netwerk: onderzoek wordt gestimuleerd en beter mogelijk gemaakt. Binnenkort volgt besluit over het opzetten van de parel endocriene tumoren met daarbij als subparel het bijnierschorscarcinoom. Harm Haak wordt voorgedragen als kartrekker van deze subparel.

7.  Immuunhistochemie op feochromocytomen en paragangliomen (door R. de Krijger)

Ronald de Krijger heeft laten zien dat in een grote serie feochromocytomen en paragangliomen (n=317) SDHA- immuunhistochemie een betrouwbare methode is om de aanwezigheid van een SDHA-mutatie te bepalen. Verder blijken SDHA-negatieve tumoren ook negatief te zijn voor SDHB. Dit suggereert dat het Complex II mogelijk geheel degradeert in tumoren met een SDHA mutatie.

8.  PRESCRIPT (door M. Kerstens)

Michiel Kerstens heeft de opzet van een nieuwe, prospectieve trial geïntroduceerd, die twee gangbare pre-operatieve behandelschema’s van patiënten met een feochromocytoom gaat vergelijken. Management met phenoxybenzamine zal worden vergeleken met doxazosine. De trial gaat lopen in de acht universitaire centra en negen grotere perifere ziekenhuizen, volgens de power-berekening zijn er ongeveer 130 patienten benodigd. Het protcol ligt momenteel bij de METC, er moeten nog wat logistieke problemen overwonnen worden. Verder bericht volgt.

Nieuwsbrief oktober 2009

Verslag Bijniernetwerk-meeting, vrijdag 09-10-2009, Utrecht.

Aanwezigen:

Hermus, Lenders, Timmers, Galac, Kooistra, Kerstens, Nieveen van Dijkum, Eeden , Kerstens, Bex, Kerkhofs, Haak, Hermsen.

FIRM-ACT trial

Vanaf 2 oktober 2009 is het niet meer mogelijk patiënten te includeren voor de FIRM-ACT trial. De benodigde 300 patiënten zijn inmiddels gerandomiseerd. Nederland heeft 28 patiënten kunnen bijdragen aan deze trial (13 MMC Eindhoven, 8 LUMC, 7 AMC).

In 2011 zullen alle gegevens verzameld zijn en wordt bekend gemaakt welke chemotherapie het beste effect heeft op de overleving. In afwachting van deze resultaten, is er nog geen eenduidige behandeling voor patiënten bij wie de ziekte is uitgezaaid (stadium 4). In onze centra hebben patiënten op beide regimes gereageerd. Tot dat de resultaten bekend zijn geldt het volgende advies voor de behandeling van stadium 3-4 patiënten:

1. Mitotane monotherapie, na progressie of direct door met 2)

2. Mitotane + EDP of Sz

Nieuwe trials

ADIUVO ; "Efficacy Of Adjuvant Mitotane Treatment In Prolonging Recurrence-free Survival In Patients With Adrenocortical Carcinoma At Low-Intermediate Risk Of Recurrence"

Deze studie naar de effectiviteit van adjuvante mitotane therapie is in oktober 2008 gestart in Italië en zal waarschijnlijk dit najaar starten in Nederland. De inclusie criteria zijn als volgt:

Patiënten moeten binnen 3 maanden na operatie gerandomiseerd worden. Patiënten krijgen ofwel mitotane (hoge dosis opstartschema) ofwel follow-up (elke 3 maanden). In totaal moeten er 200 patiënten worden geïncludeerd (100 per treatment arm).In Nederland hebben UMCN, LUMC, Erasmus MC, UMCG, AMC / VU en MMC toegezegd deel te willen nemen aan deze studie, al dan niet als onderzoekscentrum.

De chirurgen en pathologen hebben een belangrijke rol in de werving van deze patiënten.

Om zo veel mogelijk patiënten te kunnen includeren is het essentieel dat elke patiënt wordt geregistreerd en dat de zorg voor patiënten nog meer wordt gecentraliseerd. Momenteel missen we nog veel stadium 1 en 2 patiënten in de database. Er worden nog veel patiënten in perifere ziekenhuizen geopereerd.

Verschillende ideeën om de centralisatie te optimaliseren werden geopperd:

  •  
  •  
  •  

Afsluiting en actiepunten:

Els en Harm; organisatie chirurgie bijnierschorscarcinomen

Suzan en pathologen; organisatie pathologen ;standaardisatie en informatie

Ilse en Harm; planning 2010, op verzoek verhogen van frequentie van bijeenkomsten

We bedanken de aanwezigen voor deze nuttige bijeenkomst en de sprekers voor de interessante presentaties.

De nieuwe bijeenkomst zal 12 februari 2010 plaatsvinden

Nieuwsbrief mei 2009

Nieuwsbrief Mei 2009 Inhoud

  • KLOTZ Meeting Parijs mei 2009
  • Lopende trials; FIRM-ACT
  • Nieuwe trials; ADIUVO
  • ACC registratie Nederland
  • Nieuwe bijeenkomst

KLOTZ Meeting Parijs mei 2009

Hieronder een korte opsomming van enkele belangrijke punten:

Bij een deel van de tumoren (m.n Weiss score 2 en 3) is op basis van de pathologie het bestaan van een maligniteit niet uit te sluiten. Daarnaast is het individuele beloop van de ziekte niet vooraf te voorspellen. Gene-expression profiling biedt de mogelijkheid om de expressie van duizenden genen te bekijken en hierdoor meer inzicht te krijgen in tumorgenese en nieuwe therapietargets. Tot nu toe heeft deze methode aangetoond dat op basis van genexpressie onderscheidt kan worden gemaakt tussen benigne en maligne bijniertumoren. Bovendien kan er d.m.v. deze methode binnen de groep van maligne tumoren onderscheid worden gemaakt tussen 2 subgroepen met verschillende prognose. Ook de gecombineerde expressie van genen kan meer inzicht geven in disease-free en overall survival van de individuele patiënt. Assie et. al toonde aan dat de combinatie van DLG7 en PINK1 en BUB1B en PINK1 expressie de beste voorspellers zijn voor disease free survival resp. overall survival.

Lopende trials

Tot nu toe zijn er 284 patiënten geïncludeerd in de FIRM-ACT studie. In het totaal zijn er 300 patiënten nodig. Het is dus de verwachting dat de studie binnen enkele maanden eindigt.

Voor het verkrijgen van een nauwkeurige analyse zijn alle gegevens van de patiënten nodig. Tot op heden laat deze dataverzameling nog te wensen over. Met name de kwaliteit van leven vragenlijsten, stadiëring volgens RECIST criteria en de follow-up informatie ontbreekt vaak.

Nieuwe trials

Inmiddels is deze open label, gerandomiseerde studie naar de invloed van adjuvante mitotane therapie op overall en disease-free survival bij patiënten met bijnierschorscarcinoom gestart in Italië. De eerste patiënten zijn reeds geïncludeerd. In het najaar zal met alle waarschijnlijkheid het studieprotocol worden ingediend bij MMC METC. Na goedkeuring zal de studie in verwachting, dit najaar starten in een meerdere regionale centra.
De bijdrage van verschillende specialisme is essentieel om zo veel mogelijk patiënten te includeren. Patiënten kunnen worden geïncludeerd wanneer zijn tot de groep "laag risico patiënten" behoren. Laag risico patiënten voldoen volgens het onderzoeksprotocol aan de volgende criteria; Stadium 1-3, R0 resectie, microscopisch complete resectie, ki 67 index < 10%. Patiënten die deel nemen aan deze studie worden gerandomiseerd in 2 groepen. 1 groep krijgt mitotane na operatie, de andere groep krijgt geen medicatie alleen follow-up met CT scans en laboratorium onderzoek. Een actieve rol van de pathologen en chirurgen is essentieel bij deze inclusie.

ACC registratie Nederland

Tijdens onze bijeenkomst in november 2008 en in Januari 2009 in Antwerpen, zijn de data van de tot 1 januari 2008 geregistreerde patiënten getoond. Ontbrekende data zijn inmiddels aangevuld en de data gepresenteerd op de ENDO 2009 middels een posterpresentatie.

Om ervoor te zorgen dat deze registratie up-to-date blijft, is het belangrijk dat nieuwe patiënten worden geregistreerd en follow-up gegevens worden verkregen van reeds geregistreerde patiënten. Inmiddels zijn follow-up gegevens van alle nog levende patiënten opgevraagd in de centra. Helaas hebben slechts enkelen gereageerd.

Ook de nieuwe patiënten worden zelden doorgegeven. Bij dezen willen we dus eenieder vragen zo snel mogelijk alle nieuwe patiënten vanaf 1 jan. 2008, aan ons door te geven. Graag ontvangen we per patiënt een recente brief, PA en chirurgie verslag. We verzoeken daarnaast

om per centra ook navraag te doen bij pathologie en chirurgie. Uit de tot nu verzamelde data blijkt namelijk dat we veel stadium 1 en 2 patiënten missen. Bovendien worden er in academische centra revisies verricht van ACC patiënten die in een perifeer ziekenhuis worden behandeld.

We hopen op uw medewerking zodat we de registratie en uiteindelijk de behandeling van onze patiënten kunnen optimaliseren.

Nieuwsbrief november 2008

Verslag bijniernetwerk bijeenkomst 07/11/08, VIKC Utrecht

Aanwezigen:, Gelderblom, Hofland, Bruïne, Deinum, Koetsveld, Hofland Kerstens, de Vries, Wilmink, Rubens, Kooistra, Naan, Nieveen avn Dijkum, Sels, Lenders, Eekhof, Timmers, Haak, Groenen en Hermsen.

ACC registratie Nederland

Sinds 2007 is het netwerk bezig met het registeren van alle ACC patiënten in Nederland. Tot nu toe bevat de database gegevens van 204 patiënten. Uit deze registratie komen een paar punten naar voren:

  • Patiënten karakteristieken komen overeen met beschreven in andere landen; behalve het stadium ten tijde van diagnosis. De database bevat geen stadium 1 patiënten en 47% stadium 4.
  • De pathologieverslagen bevatten niet altijd alle gegevens die nodig zijn voor stadiëring van patiënten (mitotic count/ invasion/ Weiss of v. Slooten score/ R0 resectie ja/nee)
  • Chirurgie heeft plaatsgevonden in 23 ziekenhuizen door 50 chirurgen!
  • Operatie verslagen bevatten niet altijd alle informatie over prognostische factoren zoals tumorspil en R0 resectie.
  • Meestal wordt het bijniercarcinoom middels laparotomie verwijderd, minderheid 5%, laparoscopisch.
  • Toepassing adjuvante therapie is wisselend. Sommige centra geven altijd adjuvant mitotane anderen geven het nooit.

Het doel voor de komende maanden is om de registratie verder te optimaliseren. Gegevens die nog ontbreken moeten worden aangevuld. De missende data zullen per centra worden aangeleverd. Verder moet zowel de chirurgie en pathologie protocollair worden vastgelegd. Daarnaast moeten we streven naar het concentreren van de chirurgie.

Nieuwsbrief mei 2008

Hier volgt de 4e nieuwsbrief van het bijniernetwerk. Sinds de bijeenkomst in november zijn er heel wat ontwikkelingen geweest. In deze nieuwsbrief worden de belangrijkste kort toegelicht. Interessant was het bijnierschorscarcinoom congres in Ann Arbor, maart jl.. Een kort verslag hierover is opgenomen in deze nieuwsbrief. Verder is er een korte update van lopende onderzoeken binnen ons netwerk.

2nd Annual International Adrenal Cancer Symposium

14 en 15 maart vond het tweede internationale Adrenal Cancer Symposium plaats in Ann Arbor. Harm Haak en Ilse Hermsen hebben dit congres bijgewoond. Tijdens deze 2 dagen werden alle onderzoeken en inzichten op het gebied van ACC besproken. Hieronder een korte opsomming van enkele belangrijke punten.

  • Chirurgie moet worden verricht in gespecialiseerde centra. Er wordt geadviseerd om alle voor ACC verdachte laesies middels open resectie te verwijderen.
  • Voor de diagnose ACC mag absoluut niet gebiopteerd worden uit een voor ACC verdachte laesie. Patiënten die een biopsie hebben ondergaan presenteren zich vaker met peritoneale metastasen.
  • De vraag naar nieuwe therapieën wordt steeds groter. De vorming van nationale en internationale netwerken hierbij is essentieel . Frankrijk (Comete), Duitsland(GANIMED) en Italië (NISGAT), zijn goede voorbeelden. ENS@T (European Network for the Study of Adrenal Tumors) speelt ook voor bijnierschorscarcinoom een rol als internationaal netwerk. Deze samenwerking heeft geresulteerd in meerdere publicaties. Vooral onderzoek naar prognostische factoren middels verrichtten van micro-arrays is erg populair in deze netwerken door het beschikbaar zijn van honderden tumoren en bijbehorende pathologische gegevens.
  • Ten slotte is tijdens het congres ook bekendheid gegeven aan ons netwerk middels een posterpresentatie. De reacties waren lovend.